Doel van het protocol De bloeddrukmetingen worden op een juiste, eenduidige en nauwkeurige wijze uitgevoerd, om een goede diagnose en behandeling van hypertensie te bevorderen.
Benodigd materiaal - Belangrijk is dat in de hele praktijk dezelfde soort bloeddrukmeters aanwezig zijn. De aneroïde (handmatige) meter moet 1x per jaar geijkt worden. - De praktijk beschikt over een grotere en een kleinere manchet voor dikke en dunne armen (de luchtblaas dient minimaal 80% van de arm te omvatten, maar niet dubbel te zitten). Er is ook een speciale kindermanchet aanwezig. - De stethoscoop moet van goede kwaliteit zijn met schone, goed passende oordoppen.
Bloeddrukmeting in het kader van diagnostiek: Komt een patiënt voor de eerste keer op het spreekuur in verband met zijn bloeddruk, meet dan de bloeddruk aan beide armen om eventuele verschillen door perifeer vaatlijden te onderkennen. Als het verschil tussen beide armen groter is dan 10 mmHg systolisch en 5 mmHg diastolisch bij een gemiddelde van drie achtereenvolgende metingen, moet er overleg plaatsvinden met de huisarts. Bij een verschil geldt de arm met de hoogste bloeddrukwaarde als representatief voor de bloeddruk.
Voorbereiding - Geef de patiënt een duidelijke uitleg over de procedure, vertel wat je gaat doen. - Zorg ervoor dat de patiënt minimaal 5 minuten voor de bloeddrukmeting comfortabel en ontspannen zit: benen niet over elkaar, geen vuist maken. - Het is belangrijk tijdens de meting niet te praten, dit heeft een verhogend effect op de bloeddruk.
Uitvoering - Meet 3 keer de bloeddruk met een tussenpoos van 1 minuut. Neem het gemiddelde van de laatste 2 waarden. Wanneer het verschil tussen de twee waarden >10mmhg is, dan nogmaals meten. - Meet op ontblote bovenarm of met een dun laagje kleding. Zorg dat kleding niet om de bovenarm knelt. Dit beïnvloedt de bloeddrukmeting. - Ontlucht de manchet wanneer er nog lucht in zit. - Zorg ervoor dat de manchet zich bevindt ter hoogte van het hart, halverwege het sternum, laat de arm van de patiënt op tafel rusten.
- Plaats de stethoscoop op de arteria brachialis (deze bevindt zich in de elleboogholte).
- Pomp de manchet snel op tot circa 200mmhg. Als je dan nog harttonen hoort, pomp verder tot 250mmhg. - Laat de manchet langzaam leeglopen (met een snelheid van 2-3 mmHg per seconde), de eerste vaag hoorbare tonen geven de systolische bloeddruk aan. De diastolische bloeddruk is het punt waarop de tonen verdwijnen. - Voel de polsslag 30 seconden (30 sec. x 2 = polsslag per min.) tussen de twee bloeddrukmetingen door en noteer de polsfrequentie, let tijdens het voelen op de regulariteit, gelijkmatigheid en kracht van de pulsaties. Registreer afwijkingen altijd. -> Wees alert op een onregelmatige polsslag, dit kan duiden op atriumfibrilleren. Verifieer bij patiënt én in dossier of patiënt hiermee bekend is. Waarschuw bij een onregelmatig hartritme (wanneer de patiënt hier niet mee bekend is) de huisarts.
Registratie Open in het dossier een nieuw deelcontact -> onderzoek uitvoeren: 1 Bloeddruk. (of in kader van CVRM het daarvoor bestemde onderzoek) Voer de bloeddrukwaarden, de polsfrequentie en het polsritme in.
Opmerkingen - Bij atriumfibrilleren is het aangewezen om tenminste 3x te meten en te middelen. - Elektrische bloeddrukmeters geven vaak een foutmelding bij irregulariteit.
Doel van het protocol
De bloeddrukmetingen worden op een juiste, eenduidige en nauwkeurige wijze uitgevoerd, om een goede diagnose en behandeling van hypertensie te bevorderen.
Bloedrukmetingen zullen vaak in het verband van CVRM gedaan worden. Zie hiervoor protocol CVRM diagnostiek en CVRM behandeling
Benodigd materiaal
- Belangrijk is dat in de hele praktijk dezelfde soort bloeddrukmeters aanwezig zijn. De aneroïde (handmatige) meter moet 1x per jaar geijkt worden.
- De praktijk beschikt over een grotere en een kleinere manchet voor dikke en dunne armen (de luchtblaas dient minimaal 80% van de arm te omvatten, maar niet dubbel te zitten). Er is ook een speciale kindermanchet aanwezig.
- De stethoscoop moet van goede kwaliteit zijn met schone, goed passende oordoppen.
Bloeddrukmeting in het kader van diagnostiek:
Komt een patiënt voor de eerste keer op het spreekuur in verband met zijn bloeddruk, meet dan de bloeddruk aan beide armen om eventuele verschillen door perifeer vaatlijden te onderkennen. Als het verschil tussen beide armen groter is dan 10 mmHg systolisch en 5 mmHg diastolisch bij een gemiddelde van drie achtereenvolgende metingen, moet er overleg plaatsvinden met de huisarts. Bij een verschil geldt de arm met de hoogste bloeddrukwaarde als representatief voor de bloeddruk.
Voorbereiding
- Geef de patiënt een duidelijke uitleg over de procedure, vertel wat je gaat doen.
- Zorg ervoor dat de patiënt minimaal 5 minuten voor de bloeddrukmeting comfortabel en ontspannen zit: benen niet over elkaar, geen vuist maken.
- Het is belangrijk tijdens de meting niet te praten, dit heeft een verhogend effect op de bloeddruk.
Uitvoering
- Meet 3 keer de bloeddruk met een tussenpoos van 1 minuut. Neem het gemiddelde van de laatste 2 waarden. Wanneer het verschil tussen de twee waarden >10mmhg is, dan nogmaals meten.
- Meet op ontblote bovenarm of met een dun laagje kleding. Zorg dat kleding niet om de bovenarm knelt. Dit beïnvloedt de bloeddrukmeting.
- Ontlucht de manchet wanneer er nog lucht in zit.
- Zorg ervoor dat de manchet zich bevindt ter hoogte van het hart, halverwege het sternum, laat de arm van de patiënt op tafel rusten.
- Plaats de stethoscoop op de arteria brachialis (deze bevindt zich in de elleboogholte).
- Pomp de manchet snel op tot circa 200mmhg. Als je dan nog harttonen hoort, pomp verder tot 250mmhg.
- Laat de manchet langzaam leeglopen (met een snelheid van 2-3 mmHg per seconde), de eerste vaag hoorbare tonen geven de systolische bloeddruk aan. De diastolische bloeddruk is het punt waarop de tonen verdwijnen.
- Voel de polsslag 30 seconden (30 sec. x 2 = polsslag per min.) tussen de twee bloeddrukmetingen door en noteer de polsfrequentie, let tijdens het voelen op de regulariteit, gelijkmatigheid en kracht van de pulsaties. Registreer afwijkingen altijd.
-> Wees alert op een onregelmatige polsslag, dit kan duiden op atriumfibrilleren. Verifieer bij patiënt én in dossier of patiënt hiermee bekend is. Waarschuw bij een onregelmatig hartritme (wanneer de patiënt hier niet mee bekend is) de huisarts.
Registratie
Open in het dossier een nieuw deelcontact -> onderzoek uitvoeren: 1 Bloeddruk. (of in kader van CVRM het daarvoor bestemde onderzoek)
Voer de bloeddrukwaarden, de polsfrequentie en het polsritme in.
Opmerkingen
- Bij atriumfibrilleren is het aangewezen om tenminste 3x te meten en te middelen.
- Elektrische bloeddrukmeters geven vaak een foutmelding bij irregulariteit.